Spiegel van Holland

Een immens respect voor het leven

Jos van der Burg naar aanleiding van Bert Haanstra's overlijden,
Het Parool
, 24 oktober 1997

Bert Haanstra, die een pacifistische levensovertuiging had, creëerde in zijn films een wereld waarin hij zich thuisvoelde. Of zoals hij het na Alleman formuleerde: 'Het is zo gemakkelijk om mensen te shockeren, maar ik wilde een film maken die mensen niet toont als honden, maar als herkenbare menselijke wezens.'

Met Bert Haanstra verliest Nederland zijn grootste documentairemaker, die het naoorlogse beeld van de documentaire lange tijd heeft bepaald. Met zijn mild-ironische blik en zijn nauwgezette observaties van mens en natuur raakte Haanstra een snaar die hem een miljoenenpubliek bezorgde.

Haanstra werd in 1916 in een onderwijzersgezin in het Overijsselse Holten geboren. Opgroeien deed hij in Goor, waarheen het gezin kort na zijn geboorte verhuisde. Zijn jeugdjaren laten zich lezen als een jongensavontuur. Goor bezat een bioscoop en die oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de jonge Bert. Aanpappen met de operateur zorgde ervoor dat hij door het ruitje van de projectiecabine gratis de avonturen van Chaplin, Laurel en Hardy en ander filmamusement kon zien. Zijn liefde voor film was geboren. Thuis bouwde hij met draadjes en touwtjes een projector en nadat hij in het bezit was gekomen van een oude camera, lieten zijn eerste filmpjes niet lang op zich wachten.

Goor was echter geen Hollywood en na de middelbare school was het beroep van persfotograaf voorlopig het hoogst haalbare. Na een paar jaar was hij uitgekeken op het fotograferen van nieuws, waarna hij zich liet inschrijven aan de kunstacademie. Daar ontmoette hij het was oorlogstijd de Duitse vluchteling Paul Bruno Schreiber. Die naam zouden we allang zijn vergeten als deze regisseur Haanstra niet had gevraagd voor het camerawerk van zijn film. Myrte en de demonen was een ontzettend slechte film, maar tot Haanstra's grote genoegen prezen de critici wel zijn camerawerk. Met geleend geld kocht hij een oude camera, waarna hij acht maanden werkte aan zijn korte debuutfilm De Muiderkring herleeft, die dit zeventiende-eeuwse gezelschap tot leven wekte.

Twee jaar later won de toen 36-jarige Haanstra met zijn tweede film Spiegel van Holland op het festival van Cannes de prijs voor de beste korte film. Zijn naam was in één klap internationaal gevestigd. Na korte documentaires over ondermeer de Nederlandse beeldhouwkunst en Rembrandt en films voor de Shell waaronder het beroemde The Rival World (1955) over de strijd tegen insectenplagen in Afrika maakte Haanstra met Fanfare (1958) de overstap naar de speelfilm.

Het succes van die film, waarvoor Jan Blokker het scenario schreef, was fenomenaal. De film draaide ruim een half jaar in Tuschinski en trok meer dan tweeënhalf miljoen bezoekers. In Fanfare maakte Albert Mol in de komische rol van dirigent zijn speelfilmdebuut. Tot welke hoogte Haanstra in korte tijd was gestegen, blijkt uit een interview vorig jaar [1996] in Het Parool, waarin Mol zich de uitnodiging herinnerde om in Fanfare te spelen. 'Haanstra was niet zomaar iemand, daar keek je tegenop. Dus moest ik wel even slikken toen hij aan de telefoon hing. Vergelijk het maar met een telefoontje uit Hollywood in deze tijd.' Albert Mols optreden in Fanfare leidde tot een levenslange vriendschap met Haanstra.

Lag Nederland aan Haanstra's voeten, in 1959 kwam ook zijn internationale roem tot een hoogtepunt met de Oscar voor Glas als beste korte film. Haanstra leerde echter ook de keerzijde van de medaille kennen, want zijn tweede speelfilm De zaak MP deed het aanzienlijk minder goed bij pers en publiek dan Fanfare. Haanstra schrok er zo van dat het vijftien jaar zou duren voordat hij weer een speelfilm zou maken.

In de tussentijd maakte hij een rijtje klassieke documentaires: Zoo (1962), Alleman (1963), De stem van het water (1966) en Bij de beesten af (1973). Het zijn films die de vele facetten van Haanstra tonen. In Zoo en Alleman is hij de milde observator, die met de verborgen camera menselijk gedrag vastlegt; in De stem van het water is hij de lyricus die met veel gevoel voor drama de grote rol schetst die water in Nederland speelt en in Bij de beesten af is hij de geduldige natuurliefhebber, die samen met cameraman Anton van Munster wekenlang in schuilhutjes op het juiste moment wacht.

Wat alle Haanstra-films met elkaar verbindt is het immense respect voor het leven dat eruit spreekt en de drang naar harmonie. Haanstra, die een pacifistische levensovertuiging had, creëerde in zijn films een wereld waarin hij zich thuisvoelde. Of zoals hij het na Alleman formuleerde: 'Het is zo gemakkelijk om mensen te shockeren, maar ik wilde een film maken die mensen niet als honden toont, maar als herkenbare menselijke wezens.'

Talrijk zijn de anecdotes over Haanstra's werkwijze, die zich, als hij genoeg materiaal had gedraaid, terugtrok op de zolder in zijn huis in Laren, om vervolgens maanden in isolement aan de montagetafel door te brengen. Berucht was zijn wanhoop als hij twijfelde aan de goede afloop van een productie en ook kon hij in grote woede uitbarsten als er teveel mis ging. Legendarisch waren de vrijdagavonden in huize Laren, want dan werd er door Haanstra's inner circle gemusiceerd, gelachen en gediscussieerd. Anton van Munster die jarenlang met zijn viool van de partij was, vertelde er vorig jaar over in Het Parool: 'Terwijl Bert monteerde in zijn studio, maakten wij muziek. Om een uur of twaalf kwam hij naar beneden, vaak kwamen er nog wat vrienden uit de buurt, zoals de dichter Gabriël Smit, en dan gingen de flessen wijn rond. Gabriël las een gedicht voor, Bert vertelde over zijn filmplannen en om een ur of half zes stapte iedereen weer eens op.'

In 1975 waagde Haanstra zich weer aan het genre van de speelfilm, met verrassend resultaat. Dokter Pulder zaait papavers kreeg een uitstekende pers en ook het publiek liet de film niet in de steek. 'Bert Haanstra heeft wel getoond dat hij een betere en veel interessantere speelfilm kan maken dan het gros van de jonge regisseurs die dat de laatste jaren hebben geprobeerd,' schreef filmrecensent C.B. Doolaard in Het Parool. Zijn opmerking was gericht tegen de nieuwe lichting filmmakers die Haanstra zagen als een representant van de wederopbouwperiode, waarbij zij Haanstra's streven naar harmonie achterhaald achtten. Zijn films werden oubollig genoemd.

Haanstra putte echter moed uit de goede ontvangst van Dokter Pulder zaait papavers en maakte in 1979 onder de titel Een pak slaag weer een speelfilm. De titel had voorspellende waarde, want met deze film werd Haanstra in de pers afgeslacht. Ook het publiek bleef weg. De maker trok zich de teleurstelling zo aan, dat hij kort daarna werd getroffen door een hartaanval. Na zijn herstel waagde hij zich nog één keer aan een speelfilm: Vroeger kon je lachen (1983), een hommage bij de zeventigste verjaardag van Simon Carmiggelt. De film, die bestond uit een aantal gespeelde Kronkels, werd lauw ontvangen.

Daarna werd het stil rond Haanstra. Akelig stil. Tot vorig jaar, toen de filmwereld wakker werd en Haanstra een eerbetoon bracht. Het Nederlands Fonds voor de Film riep speciaal voor hem een oeuvreprijs van honderdduizend gulden in het leven en de KRO zond bijna al zijn films in gloednieuwe kopieën uit.

Het blijkt allemaal godzijdank nog net op tijd te zijn geweest.