Andrea Domburg en Albert Mol

ANTON VAN MUNSTER EN ALBERT MOL OVER BERT HAANSTRA
Interview door Jos van der Burg

We spreken af om het gesprek bij de oudste gesprekspartner thuis te voeren. Anton van Munster is 'pas' 62 jaar, dus rijden hij en ik half Nederland door om tot stilstand te komen bij een klein boerderijtje in het Achterhoekse Laren [niet te verwarren met Laren in 't Gooi]. Mos op het rieten dak, kozijnen die niet strak in de verf staan, gras dat mag groeien, twee loslopende ezels en scharrelkippen die die naam met recht dragen: er blijken nog mensen in de Achterhoek te wonen die niet in de greep zijn van de opknapwoede die deze regio sinds jaar en dag teistert.

De bijna tachtigjarige Albert Mol en Van Munster begroeten elkaar als oude vrienden, wat zij ook zijn. Dat Mol zich thuis voelt in de Achterhoek blijkt uit de regionale specialiteit die hij presenteert. 'Je weet toch wel wat stoet is,'klinkt het vrolijk bestraffend als ik krentenbrood denk te zien liggen. En dan komen de plakboeken en buitelt de ene anekdote over de andere heen. ‘Ik heb mijn huiswerk gedaan,' zegt Mol. 'Zie je dat Het Parool tijdens de productie van Fanfare een hele pagina aan het maken van de film besteedde? Daar moet je nu eens om komen bij een Nederlandse film!'

Het magische woord Fanfare is gevallen. Haanstra's legendarische film uit 1958, die met ruim 2,5 miljoen bezoekers op de tweede plaats staat van de best bezochte Nederlandse films – Turks fruit staat op één met 3,3 miljoen bezoekers – was een gigantisch succes, of in eigentijds jargon: een megahit. De film draaide 28 weken in Tuschinski en bewees dat de naoorlogse vaderlandse speelfilm succesvol kon zijn, iets waaraan toen hevig werd getwijfeld. Nog geen jaar eerder hadden zeven vaderlandse filmcritici de Nederlandse filmproducenten opgeroepen om het bijltje er maar bij neer te gooien: 'Moet het beslist een Nederlandse taak zijn de smaak van de gewone bioscoopbezoeker nog meer te bederven?' Dat in dit naargeestige klimaat een film als Fanfare kon ontstaan, was op zich al een wonder.

In het door Jan Blokker geschreven verhaal, over twee rivaliserende fanfarekorpsen in Giethoorn, maakte Albert Mol zijn overrompelende speelfilmdebuut, als we de twee minuten die hij in Ergens in Nederland (1940) te zien was niet meerekenen. Mol herinnert zich dat hij perplex was van de uitnodiging: 'Je moet je verplaatsen naar 1958. Haanstra was mijnheer Haanstra, daar keek je tegenop. Daarom moest ik wel even slikken toen hij aan de telefoon hing. Vergelijk het maar met een telefoontje uit Hollywood in deze tijd; alhoewel, dat gaat tegenwoordig allemaal met tussenpersonen.'

De in 1933 uit Berlijn gevluchte Rudi Meyer was de producent van Fanfare. Mol werd samen met Haanstra op zijn kantoor uitgenodigd. 'En daar stond ik dan op zijn dure Perzische tapijten. Toen hij vroeg hoeveel geld ik wilde hebben, noemde ik een bedrag van 10.000 gulden. Meyer pauzeerde even, keek mij aan, en zij in dat Duitse accent van hem: 'Laat mij niet lachen!' Omdat ik had gehoord dat je bij Meyer altijd je poot stijf moest houden, hield ik vol. Even later stond ik zonder contract buiten en dacht ik dat ik het verknald had. Toch moest ik een poosje later weer bij hem komen. Dit keer vroeg hij niks, maar zei meteen dat ik 5000 gulden kreeg. Natuurlijk zei ik ja, als het moest had ik het voor niets gedaan, desnoods had ik geld meegenomen. Het gekke was dat iedereen die aan Fanfare meewerkte die instelling had.'

Anton van Munster kwam via cameraman Eddie van der Enden bij Fanfare terecht. 'Eddie had bij een aantal films van Bert het camerawerk gedaan en ook voor Fanfare werd hij gevraagd. Omdat ik al een tijdje zijn assistent was, mocht ik mee als camera-assistent. Tussen Haanstra en mij klikte het meteen. Na de opnamen van Fanfare kreeg ik van hem een fotoboek met de opdracht: 'Voor de allerbeste camera-assistent, op nar de allerbeste cameraman.' Mol: 'Bert was altijd genereus voor zijn medewerkers. De opnamen waren een feest van begin tot einde. Nee, ik overdrijf niet als ik zeg dat er een sfeer heerste van een vakantiekolonie. Natuurlijk werd er hard gewerkt, maar ook ongelooflijk veel gelachen.'

'Iedere ochtend moesten we om zes uur opstaan en dan maar afwachten. Ik ben drie keer 's morgens vroeg met een bootje naar een stil plekje gevaren, waar ik moest wachten op de crew, die daar opnamen zou komen maken. En daar zat ik dan tot 's avonds met mijn meegebrachte boterhammen en een thermosfles koffie tevergeefs te wachten, omdat er iets tussen was gekomen en ze me waren vergeten. Maar toch deed ik niet op hoge poten mijn beklag. Zo was de sfeer niet.'

Van Munster: 'Albert, je was de enige niet, er ging zoveel mis. Herinner je je nog die scène met dat boertje? Dat moest recht in de camera kijken en dan zeggen: "Kom je ook luister'n? De fanfare!” Dat wilde maar niet lukken. Na ik-weet-niet-hoeveel opnamen zegt die man nerveus: "Kom je ook luister'n? De Vara." Mol giert het uit en vertelt, alsof hij het gisteren beleefde, een voorval met Hans Kaart, de hoofdrolspeler in Fanfare. 'We waren bezig met opnamen toen er slecht weer aankwam en we het werk onderbraken, maar we vergaten helemaal Hans Kaart op te halen, die met als enige gezelschap een koe op een eilandje zat. Dat dat nu juist Kaart moest overkomen, de enige met sterallures. Hij was woedend en kondigde aan naar huis te gaan. Bert in zak en as achterlatend: "Hans Kaart is weg, daar gáát mijn film".'

Van Munster lachend: 'Ja dat was een enorm tumult. Een van de hoofdrolspelers die met een punter en een koe zijn leven had gewaagd, was zomaar vergeten. Kaart was echt woedend, dus die beende door dat Giethoorn heen, met een rennende Rudi Meyer achter hem: "Hans kom terug, Hans kom terug". Zie je het voor je: die twee gezette mannen, achter elkaar door Giethoorn rennend? Maar het was tekenend voor de sfeer dat de ruzie een half uur later was bijgelegd.'

Mol: 'Zo'n sfeer als bij Fanfare heb ik nooit meer meegemaakt. Er was zoveel lol. Anton, herinner jij je nog de scène dat ik voor het eerst in het café van Hans Kaart kom? Omdat die cafédeur piepte, hadden ze hem met olie ingesloten. Ik doe die deur open en die doet: ieieieieie. Er wordt olie bijgespoten, maar bij de tweede klap is het weer: ieieieie. Bij de derde klap horen we: ie. Toen die deur eindelijk niet mneer piepte, had ik zo de slappe lach dat ik niet meer verder kon. De tranen liepen over mijn wangen, zodat ik opnieuw geschminkt moest worden. Die scène is veertien of vijftien keer overgedaan. En Meyer maar roepen: 'Dat kost geld, dat kost geld".'

Fanfare was zowel voor Van Munster als vor Mol het begin van een grote vriendschap met Haanstra. Mol: 'Ik heb wel meer leuke of gezellige mensen ontmoet in de filmwereld, maar bij Bert was het meteen "in de familie". Ik ben ontzettend vaak bij hem thuis geweest en hij kwam ook geregeld hier. Als ik hem thuis opzocht, reageerde hij altijd alsof we elkaar tien jaar niet hadden gezien. We schudden geen handen maar vielen echt in elkaars armen en dan was het huggen geblazen. Van alle mensen met wie ik in al die jaren in het vak heb gewerkt, is hij – het zal wel slijmerig klinken – de liefste man. Het is een gedreven man, maar ook iemand met wie je vreselijk kunt lachen, die humor heeft en een gezelligheidsmens is.'

Van Munster: 'Bij Bert thuis hing altijd een speciale sfeer. Iedere vrijdagavond werd er gemusiceerd in huiselijke kring en ik was met mijn viool dertig jaar van de partij. De wereld kon omvallen, maar het musiceren ging door. Terwijl Bert monteerde in zijn studio, maakten wij muziek. Om een uur of twaalf kwam Bert naar beneden, vaak kwamen er nog wat vrienden uit de buurt, zoals de dichter Gabriël Smit, en dan gingen de flessen wijn rond. Gabriël las een gedicht, Bert vertelde over zijn filmplannen en om een uur of half zes stapte iedereen weer eens op.'

Van Munster bevestigt dat Haanstra bezeten was van film. 'Het draaide bij hem altijd om film, er bestond niets anders. Zeker als hij middenin een productieproces zat, moest je niet over andere onderwerpen praten, want dan luisterde hij niet. Hij betrok mij, maar ook anderen, altijd bij zijn plannen en wilde weten wat wij ervan dachten. Hij kon heel onzeker zijn, maar omdat bijna al zijn films succesvol waren, hadden buitenstaanders de indruk dat Bert het allemaal uit zijn mouw schudde. Het was precies het tegenovergestelde: juist omdat hij zo kritisch was, kwamen zijn films uiterst moeizaam tot stand. Rond film hangt altijd een sfeer van glamour, maar bij Bert was daarvan absoluut geen sprake.'

Haanstra's perfectionisme kon leiden tot woedeaanvallen die Mol zich nog goed kan heugen. 'De eerste keer dat ik dat meemaakte, was bij Fanfare. Het was niet tegen mij gericht, maar ik schrok me te pletter. Ik weet niet meer waar het over ging, er lukte iets niet met de techniek geloof ik, en hij werd des duivels. Ik heb zelden in mijn leven met iemand gewerkt voor wie ik echt bang kon zijn, maar bij hem was ik het. Dat moet jij toch vaker hebben meegemaakt, Anton?'

Van Munster:'‘Hij sleepte je helemaal mee, zowel in zijn enthousiasme als in zijn diepe dalen. Ik herinner mij een voorval midden in de productie van De stem van het water , mijn favoriete documentaire . Ik kom op een ochtend – de productie was al anderhalf jaar bezig – bij Bert, en hij zegt: "Ik hou ermee op, ik zie het helemaal niet meer zitten, ik neem het verlies, maar het is afgelopen." Wat was er aan de hand? Hij was op een punt aanbeland in deze film dat hij niet verder kon. Hij zat muurvast. "Uiteindelijk besloot hij na lang praten dat de film nog één laatste kans kreeg. We moesten een scène makenovern een vrouw die in de watersnoodramp van 1953 samen met haar zoontje de twee enige overlevenden waren van een hele familie. Die vrouw had in die tijd haar zoontje, dat toen in het ziekenhuis lag, een prachtige brief geschreven. Bert stelde voor om die vrouw en haar zoon zwijgend aan het water in Zeeland te filmen, met op de geluidsband de stem van de vrouw, die de brief voorleest. Het shot moest in één keer goed zijn, want het zou misdadig zijn om die twee mensen zo'n emotioneel moment te laten herhalen. Als het shot lukte, zou Bert doorgaan met de film, als het mislukte, zou hij de film afblazen. Kun je je voorstellen wat voor spanning er hing? Het was gotverdorie nog een moeilijk shot ook! Maar het lukte en de film was gered.'

In de rust van de montagekamer voelde Haanstra zich het meest op zijn gemak, zegt Van Munster. ‘Het was mijn taak om monteerbare shots, bouwsteentjes noemde Bert het, in te leveren, waarna hij maandenlang tot diep in de nacht, de weekeinden niet uitgezonderd, zat te monteren. Bij de montage bleek of alle inspanningen de moeite waard waren geweest.'

Na Fanfare speelde Mol in 1960 de hoofddrol in Haanstra's volgende film, die even lichtvoetig van opzet was, maar veel minder succesvol. De zaak M.P., een komedie over de diestal van Manneken Pis, werd door de filmpers matig ontvangen. Later noemde Haanstra de film 'het slechtste dat ik heb gemaakt. Mol erkent dat de film niet best is, maar over een mislukking wil hij niet spreken. 'Ik heb één gebrek en dat is dat ik het woord flop niet kan horen. Zo slecht is de film trouwens ook niet. Vorige week zag ik hem terug op de televisie en je kunt toch leuke dingen constateren, zoals dat Kees Brusse een echte filmacteur is en dat Ko van Dijk in het theater thuis hoort, want die doet veel te veel. Ook heel aardig zijn de documentaire overgangen tussen scènes, zoals een weilandje met een koe, iemand die op een fiets voorbij rijdt, allemaal shots die een echt Haanstra-stempel op de film drukken. Maar het is wel waar: ik had deze rol niet moeten spelen. Als ik mezelf nu terugzie, dan zie ik niet het jonge minnaarstype rondlopen dat de rol vereiste, maar een verlegen en angstig jongetje. Dat is trouwens wel vreemd, want ik was toen al begin veertig.'

Als het gesprek komt op Een pak slaag, de film die bijna twnitg jaar na De zaak M.P. in 1979 Haanstra's tweede flop werd, zet Mol de Nederlandse filmkritiek in de beklaagdenbank. 'Ineens kon Bert niks meer en werd hij weggeschreven. Ik vind het reëel dat een film met goede argumenten wordt bekritiseerd, maar soms zijn recensies ronduit vernederend. Bert trok zich dat vreselijk aan. Geloof me: de hartaanval die hij kort daarna kreeg, had als oorzaak de agressieve manier waarop bepaalde critici Bert naar benenden haalden. Ik ben zestig jaar aan het toneel en ik weet dat er mensen zijn die daar niet tegen kunnen. Ja, ik bel op en scheld gewoon terug, maar dat was niks voor Bert.'

Van Munster ziet nog een andere reden waarom de slechte kritieken – de meeste waren overigens gematigd tot positief – Haanstra zo aangrepen. 'Het was de eerste keer dat er negatief over hem werd geschreven. Wij vonden het normaal dat wij goede kritieken kregen en dat het publiek ons werk waardeerde. Het was heel vreemd om ineens vernietigende recensies te lezen. Overigens is Een pak slaag helemaal geen slechte film. Het probleem van die film – ik heb het daar laatst nog eens met Bert over gehad – is het scenario. In de eerste twintig minuten worden allerlei praatjes over de hoofdpersoon verteld, maar we krijgen hem niet te zien. Dat is een scenariofout van Anton Koolhaas, want als kijker ben je nieuwsgierig naar die persoon. Maar als je bereid bent om over de eerste twintig minuten heen te stappen, zie je een uitstekende film.'

Van Munster, die nog steeds de werld rondreist als cameraman, met als specialiteit natuurfilms, kan zich opwinden over de slordigheid die hij tegenwoordig in veel films aantreft. 'Onze kracht lag in de tijd die wij in onze films staken. Wij gingen door tot het goed was. Voor Bij de beesten af zijn wij alleen al met de opnamen ruim tweeënhalf jaar bezig geweest. Veel mensen kunne zich niet meer voorstellen dat je met weinig middelen fantastische dingen kunt maken. 'In mijn begintijd had ik niet meer dan drie lenzen. De zomlens bestond nog niet, dus als je iets van dichtbij wilde opnemen, moest je er met je neus op gaan staan. Wij knutselden zelf van alles in elkaar. Kijk, dit is een fot van een geluidswerende kist, die ik om m'n camera bouwde. Met een breinaald kon je door een klein gaatje in die kist het diafragma verstellen. Filmapparatuur is nu zo high tech en kostbaar, dat het bij een filmproductie een steeds grotere kostenpost is geworden. Daardoor komt het geld steeds minder bij de creatieve mensen terecht en moet alles snel gedraaid worden, wat ten koste gaat van de kwaliteit. Bert en ik wilden uit marmer gehouwen beelden en we werkten net zo lang door tot we die hadden. Bert zei altijd: wij zijn geen kunstenaars, wij doen aan kunstnijverheid.' Mol met vertedering in zijn stem: ‘Anton, jullie waren een prachtig duo.'

Het Parool, 18 mei 1996